Kwartet (13)

Een paar sneakers van Keds of Converse All Stars, gescheurde jeans, een t-shirt, een leren jack en drie akkoorden was alles wat Joey, Johnny, Dee Dee en Tommy (en later ook Marky, Richie, Elvis en C.J.) nodig hadden om muziekgeschiedenis te schrijven. Hoe kan deze punkkwartetreeks beter worden afgesloten dan met The Ramones; de ultieme NYC punks die vanaf 1974 22 jaar aan één stuk voortraasden. Resulterend in 14 officiële studio-albums, nog meer live- en compilatiemateriaal en maar liefst 2263 immer knallende concerten. Geïnspireerd door zowel de sixties garage van Iggy & The Stooges en MC5 als de West Coast surf van bijvoorbeeld The Beach Boys en de diverse girlgroups uit de Phil Spector school, creëerde de band een eigen sound die onbeperkt houdbaar is gebleken. Maar genoeg geluld, want inzake dit laatste viertal (de volledige reeks vind je hier terug, printen uitknippen en kaarten maar) geldt toch vooral: geen woorden maar daden. Of om in Ramonejargon te blijven: Hey ho let’s go! Maar niet voordat we nog even hebben kunnen genieten van de fraaie beelden van weleer. Ãœberkwartet!

Kwartet (12)

Al snel na de grote Britse punkexplosie eind jaren ’70, ging vlaggenschip The Sex Pistols door het leven als de meest invloedrijke band van haar generatie. Nu, dertig jaar na dato, zijn het echter The Jam en vooral het uit London SS voortgekomen The Clash die een stevige stempel drukken op de sound van menige hippe indie-, britpop, punkfunk en rammelrockband. Hoewel begonnen als pure punkband, flirtte The Clash gaandeweg steeds meer met reggae, funk en jazz terwijl ook de muzikale vakkundigheid en politieke betrokkenheid in schril contrast stond met het nihilisme van de meeste collega’s. Mede daardoor wist de band rondom de twee frontmannen Joe Strummer en Mick Jones het van 1976 tot 1986 vol te houden, waarna de voormalige bandleden (met uitzondering van de geluidsbepalende drummer–en componist van The Clash’ grootste internationale hitsucces ‘Rock The Casbah’–Topper Headon, die jammerlijk ten onder ging aan een heroïneverslaving) ook  afzonderlijk in de picture bleven. Strummer ging solo, deed het nodige productie- en acteerwerk en was in 1991 zelfs even zanger van The Pogues. Hij overleed in 2002 als gevolg van een hartstoornis. Jones richtte het redelijk succesvolle Big Audio Dynamite op, speelt sinds 2005 met Tony James (Generation X, Sigue Sigue Sputnik) in Carbon/Silicon en werkte als producer met The Libertines en Babyshambles. Bassist Paul Simonon ontpopte zich na de split als kunstenaar en bast tegenwoordig bij The Good The Bad And The Queen. Drummer Terry Chimes, die de band maar liefst drie keer verliet, dook in 1987 op bij Black Sabbath en is tegenwoordig een succesvol chiropractor. Toch brandde het heilige vuur nooit meer zo heftig als tijdens de vele hoogtijdagen van de misschien wel belangrijkste Engelse punkband ooit. Ten tijde van dit kwartet klonk dat zo. Tijdloos!

Kwartet (11)

De in 1974 opgerichtte Guildford Stranglers voorzagen hun Amerikaans klinkende pubrock na een vruchteloze start van een extra dosis energie, schrapten het voorvoegsel uit de naam, speelden in 1976 en 77 vrijwel elke Engelse zaal volledig aan gort, waren niet vies van een controverse en hadden hun PR prima voor elkaar. De eerste twee uitstekende albums en het hitsucces van ‘No More Heroes’ deden vervolgens de rest. En zo groeide de in zwart gehulde Stranglers in no time uit tot een band van formaat, die de aandacht jarenlang wist vast te houden door zichzelf muzikaal te blijven vernieuwen. Dit overigens meer tot genoegen van de pers dan de fans van het eerste uur, die gaandeweg de jaren tachtig, met behulp van een handvol hitsingles, meer en meer werden ingeruild voor het grote hitparadepubliek. Totdat zanger, gitarist en songschrijver Hugh Cornwell in 1990 opstapte en de zaak als een kaartenhuis instortte. Ik prijs me dan ook gelukkig de échte Stranglers in 1985 aan het werk te hebben gezien en hoewel ik acht jaar later ook live van de Cornwell-loze versie heb genoten (al was het maar vanwege de talloze klassiekers die de revue passeerden), mocht het geen moment in de schaduw staan van het origineel. The Stranglers Light doen tot op de dag van vandaag haar ding maar bij het horen van de roemruchte bandnaam dwalen mijn gedachten vooral af naar de zwarte tijden van weleer. En naar dit kwartet. Waarom zie en hoor je hier.

Kwartet (10)

"Roadrunner Jonathan Richman zingt lieflijk vals over dinosaurusjes, vliegtuigjes en andere diepzinnige zaken," zo schrijft Oor in 1994 in haar special ter ere van 25 jaar Pinkpop. Mijn cassettebandje met daarop het volledige door de KRO op Hilversum 3 uitgezonden optreden van Richman’s Pinkpopconcert uit 1978 bevestigde deze woorden en behoorde dat jaar tot mijn favorieten. Als jochie van 10 viel ik namelijk als een baksteen voor de vrolijke hitsingle ‘Egyptian Reggae’ en de Pinkpopopnames van de meer recht-toe-recht-aan-krakers als ‘Roadrunner’ en ‘New England’ waren aan mij goed besteed. Wist ik veel dat Richman en zijn Modern Lovers al in 1970 debuteerden en destijds stevig beïnvloed door Velvet Underground een stijl ontwikkelden die vooruitblikte op wat later punk, new wave en indie zou gaan heten. ‘Roadrunner’ stond in die beginjaren al op de setlist terwijl het pas in 1976 op plaat zou worden vastgelegd toen The Ramones en Blondie met een vergelijkbare sound de kop opstaken. Toetsenist Jerry Harrison zocht zijn heil niet lang daarna bij Talking Heads en drummer David Robinson sloot zich aan bij The Cars, waarna Richman het roer omgooide en met een nieuwe bezetting koos voor een kinderlijk en nerdy geluid met vrolijke doch rammelende popsongs als ‘Hey There Little Insect’, ‘The Abominable Snowman’ en ‘I’m A Little Aeroplane’, resulterend in de Modern Lovers zoals ik ze destijds leerde kennen. Het cassettebandje uit 1978 heeft het al jaren geleden begeven, mijn exemplaar van ‘Modern Lovers Live’ is ooit zoekgeraakt en op YouTube is er ook al geen vintage Lovers materiaal te vinden. Dus rest me niets meer dan dit kwartet en de immer mooier wordende herinneringen.

Kwartet (9)

Als er één cruciale band niet in mijn punkkwartet is opgenomen is het wel London SS, dat (zoals de oplettende lezer inmiddels weet) naast broedplaats voor The Clash, The Damned en Generation X ook een springplank vormde voor het in 1976 opgerichte The Boys. Desondanks bleef het succes uit, waarschijnlijk omdat de band (die destijds gekscherend de Punk Beatles werd genoemd) te poppy was voor de Engelse straatschoffies van weleer. Da’s dus een duidelijk geval van slechte timing want niet veel later zou een band als The Buzzcocks met een vergelijkbare stijl aan de haal gaan én succes oogsten, om over de punkpoprevival van de afgelopen jaren nog maar te zwijgen. Aan de andere kant van de oceaan had Blondie aanzienlijk meer baat bij haar popgerichte geluid. De New Yorkse band rond blikvangster Deborah Ann Harry zag het daglicht in 1974 en zette haar eerste schreden in CBGB’s met een pittige Ramones-achtige sound maar tegen de tijd dat Harry en co in 1978 Europa bereikte was daar weinig meer van terug te horen. Blondie stond toen voor springerige rock & roll achtige pop en bivakkeerde in Nederland zowaar drie weken op de eerste plaats van de hitparade met een cover van Randy and the Rainbows’ ‘Denis’. In de jaren daarna werd er met wisselend succes zelfs geflirt met disco en reggae. Was Muziekkrant Oor’s Punkkwartet een jaar later uitgekomen dan had Blondie er waarschijnlijk nooit deel van uitgemaakt. Haar timing was dus net iets beter dan die van The Boys maar desondanks staan beide bands hier en hier gebroederlijk naast elkaar op de kaart. En wie wil weten wat Blondie in 1975 deed doet er goed aan hier te klikken.

Kwartet (8)

The Sex Pistols worden nog steeds gezien als hét icoon van de Britse punk en The Clash geldt tegenwoordig als de meest invloedrijke van haar generatie. Maar het was toch echt The Damned dat halverwege de seventies de toon zette aan de andere kant van de Noordzee. Net als Generation-X en The Clash ontstaan uit het het beruchte London SS, zorgde The Damned voor de eerste punksingle en kwam het als eerste met een album. Ook was The Damned de eerste van de Britse punklichting die door de Verenigde Staten tourde, gaf de band er als eerste van haar soortgenoten de brui aan maar waagde zij zich tevens als eerste aan een reünie. Als er één band de start van de Britse punkgolf markeerde was het dus The Damned wel. De single ‘New Rose’ fungeerde wat dat betreft als een soort oerknal en behoort tot het selecte groepje punk-evergreens dat de tand des tijds met verve heeft doorstaan. Het album ‘Damned Damned Damned’ herbergde met  punkhit ‘Neat Neat Neat’ nog een tweede klassieker en verscheen onlangs in een opgepoetste "30th Anniversary Expanded Edition". Creatief brein achter de band was gitarist Brian James maar het was de excentriek uitgedoste zanger Dave Vanian die de band haar gezicht gaf en zich als Gothic-pionier ontpopte. Het grootste commerciële succes kwam echter op het conto van bassist Captain Sensible, die in 1982 in eigen land een nummer 1 hit scoorde met de onwaarschijnlijk luchtige single ‘Happy Talk’ en ook in de rest van Europa succes oogstte met het hiphoppige ‘Wot‘. The Damned koos nooit voor de makkelijkste weg en waagde het zelfs om haar tweede album te laten produceren door Pink Floyd’s Nick Mason, iets dat in punkkringen gelijk stond aan muzikale zelfmoord. Met alle gevolgen van dien. Later zou de band nog vele malen bij elkaar komen, echter zonder James en dus zonder enig opzienbarend resultaat maar met twee klassieke singles die behoren tot het beste dat het genre voortbracht hoeft dit kwartet zich geenszins te schamen. Zie hier het bewijs.

Kwartet (7)

De missing link tussen onderstaand album en mijn punkkwartet is natuurlijk Talking Heads. Sinds 1974 onder de bezielde leiding van de immer neurotisch zingende David Byrne opererend vanuit New York en één jaar later al support act voor The Ramones in het roemruchte CBGB’s, waardoor de band meteen het punkstempel kreeg opgeplakt. Tijdens het verschijnen van debuutalbum ‘Talking Heads: 77’ was daarvan al weinig meer terug te horen zodat de toen gloednieuwe term new wave voor de band leek uitgevonden. Toen men een jaar later voor ‘More Songs About Buildings and Food’ hulp van Brian Eno kreeg, Al Green’s ‘Take Me To The River’ werd gecoverd en er steeds meer funky klanken de kop op staken, was duidelijk dat Talking Heads zich niet tot één genre wenste te beperken. Op ‘Fear Of Music’ (1979) was naast Eno ook Robert Fripp van de partij en werd er volop geëxperimenteerd met Afrikaanse ritmes. De band bouwde zo gestaag aan een indrukwekkende verzameling plaatwerk die gaandeweg de nodige artistieke maar ook commerciële vruchten afwierp. Tegen de tijd dat zwanenzang ‘Naked’ in de schappen lag, klonk ook Zuid-Amerika door in het unieke songmateriaal dat op haar best valt te omschrijven als een volstrekt natuurlijk klinkende symbiose van new wave, pop, funk, art-rock en world music. Nadat Byrne de stekker eruit trok startte hij een redelijk succesvolle solocarrière op. De overige bandleden probeerden het nog even met het halfbakken The Heads alvorens langzaam weg te zakken in de anonimiteit. Drummer Chris Frantz en bassiste (en ex-vrouw) Tina Weymouth, a.k.a. Tom Tom Club, doken onlangs nog even op bij Gorillaz. Toetsenist Jerry Harrisson probeerde het nog solo maar deed het vooral goed als producer van o.a. Crash test Dummies, No Doubt en The Von Bondies. Drie decennia geleden, toen Willem Vleeschouwer dit kwartet vervaardigde, hadden we daar natuurlijk nog allemaal geen weet van en klonken de tot op de dag van vandaag zeer invloedrijke Talking Heads als in deze fraaie film.

Kwartet (6)

Het was natuurlijk helemaal geen punk. Sterker nog, je zou het uit zuidoost Engeland afkomstige The Jam net zo makkelijk kunnen zien als een tegenreactie op het genre wiens rommelige geluid en gemakzuchtige houding een doorn in het oog was van  de jonge zanger/gitarist Paul Weller. Onder het motto "dat kan ik beter" voegde hij met The Jam de daad bij het woord. De punkidealen bleven intact maar muzikaal vakmanschap en dito ruimdenkendheid tilden zijn band ver boven het maaiveld uit. Weller richtte The Jam op in 1975 en debuteerde twee jaar later met het album "In The City" dat al meteen tot de middenmoot van de albumcharts reikte, terwijl de titelsong als The Jam’s eerste Top 40 notering in de boeken kwam. Vanaf dat moment ging het enkel bergop met The Jam. Uiteindelijk scoorde Weller en co in het thuisland nóg 17 hits waaronder 4 nummer 1 klasseringen maar ook het gros van de studio-, live- en compilatiealbums eindigde in de top 10. Zwanenzang ‘The Gift’ belandde in 1982 zelfs op de hoogste positie, waarna Weller het welletjes vond en op zijn commerciële hoogtepunt de band opblies om verder te gaan met The Style Council. Met die band kon hij zijn in The Jam al gaandeweg ontwikkelende voorliefde voor soul, jazz en R&B verder etaleren, een enorm leger aan verstokte Jam fans verslagen en verdwaasd achterlatend. Bassist Bruce Foxton zocht zijn heil bij Stiff Little Fingers om begin dit jaar The Jam nieuw leven in te blazen. Mét de originele drummer Rick Buckler maar zónder boegbeeld en creatief brein Weller, die zijn zegetocht na Style Council ook solo voortzette en zijn afkeuring over The Jam light inmiddels al duidelijk kenbaar maakte. En terecht natuurlijk. Ten tijde van dit kwartet was alles nog koek en ei, zoals hier te zien én te horen is. En voor de jongelui: nee dit zijn níet The Rifles.

Kwartet (5)

Over poedelrockers gesproken; herinnert u zich deze nog? Baanbrekend en hot as hell totdat leading man Johnny Thunders en drummer Jerry Nolan er in 1975 de brui aan gaven, een kapper bezochten en The Heartbreakers oprichtten. Hun eerste Europese tour viel samen met de opkomst van de Britse punk en resulteerde in een reeks concerten als voorprogramma tijdens de Anarchy Tour van de Sex Pistols, waarmee de naam van The Heartbreakers meteen gevestigd was. Helaas werd één en ander niet vertaald naar het vinyl want het enige studioalbum van de band (‘L.A.M.F.’) verzoop in een lamlendige geluidsmix. De band teerde -buiten een een breed uitgemeten overdaad aan (drugs) excessen- op het New York Dolls verleden, haar indrukwekkende live-reputatie én de geweldige single ‘Chinese Rocks‘ (geschreven door Dee Dee Ramone en Richard Hell). Thunders overleed onder mysterieuze omstandigheden in april 1991, Nolan volgde hem negen maanden later. Volgens sommige geruchten is de totaal uit beeld geraakte bassist Billy Rath ook al niet meer onder ons, alhoewel er ook mensen zijn die beweren dat hij zich liet bekeren en als priester door het leven gaat. Eén ding is echter wél zeker; eind jaren ’70 was hij gewoon één van de prentjes in deze reeks van Oor’s punkkwartet.

Kwartet (4)

"I Love Rock & Roll" zong de stoere in zwart leder gehulde Joan Jett in 1982. Ze bereikte zelfs de eerste plaats van onze vaderlandse hitparade maar werd al na een week van die troon gestoten door ‘Ein Bisschen Frieden’ van haar Duitse tegenpool Nicole, waarna we nauwelijks meer iets van Jett en haar Blackhearts zouden horen. Dat was in de jaren ’70 wel anders, toen ze als zangeres/gitarist van The Runaways behoorlijk van zich deed spreken. Naar verluid zouden optredens zo nu en dan ontaarden in heuse orgiën terwijl de lieftallige dames zich er niet voor schaamden geregeld een hotelkamer te verbouwen. The Runaways begonnen hun opmars in 1976 als voorprogramma van The Ramones en de split drie jaar later resulteerde in de nodige solocarrières, waarbij gitariste Lita Ford zich ontpopte als de meest productieve van het hele stel. Bassiste van het eerste uur Mickie Steele zou later met The Bangles de meest succesvolle Runaway worden, terwijl haar opvolgster Jacky Fox het na een studie aan Harvard schopte tot advocaat. Drumster Sandy West overleed in 2005 na een slopende ziekte. De avonturen van de meiskes resulteerden twee jaar geleden in de film Edgeplay, over "an all girl group ahead of their time, and their story goes way beyond the usual sex, drugs and rock ‘n’ roll clichés, allegedly involving emotional, psychological and physical abuse, lesbian trysts, suicide attempts, violent fights, and too much fast food." Maar daar had de kleine mijnheer Headmusic destijds tijdens een braaf potje kwartetten natuurlijk nog helemaal geen weet van. Oh ja, The Runaways klonken zo.