Humbug

En toen was het een dikke week stil op Head Music. Geen zin. Niets te melden. Weg inspiratie. Iets dat ik de laatste tijd wel vaker hoor in de Blogosfeer. Is het de schuld van Twitter, dat mij en anderen in staat stelt om hete nieuwtjes, links en weetjes direct online te zetten? Geldt hier het in deze tijd zo gebruikelijke komkommertijd-excuus? Of valt er gewoon weinig te melden omdat me de laatste tijd zo weinig interessants ter ore is gekomen?
Mijn platenboer vroeg me gisteren of ik de laatste tijd nog iets nieuws had gehoord en ik schrok van de lange stilte die volgde. Verder dan Delphic kwam ik niet. ‘Primary Colours’ van The Horrors blies me onlangs van mijn sokken maar die schijf is met vier maanden te oud om hier nu nog onder de aandacht te brengen. "En uiteraard Them Crooked Vultures" voegde ik er nog snel aan toe maar die telde niet mee volgens de muziekspecialist.
Zit ik op een dood spoor? Ben ik klaar met jong en hip? Of is er inderdaad niets nieuws dat me nog weet te raken? Gold mijn impulsaankoop van ‘Purple Rain’ als bevestiging van bovenstaande of zat het schijfje toch enkel om jeugdsentimentele redenen in mijn tas? Of omdat ie nog geen 4 Euro kostte?
Thuis aangekomen verdween een andere aankoop meteen in de cd-speler en binnen no time begon mijn muziekhart weer sneller te kloppen. Wat ik op Pukkelpop al vermoedde bleek werkelijkheid te zijn: Arctic Monkeys’ ‘Humbug’ is een wereldplaat die wat mij betreft alle overige releases van dit kalenderjaar in de schaduw zet. Wat een songs, wat een heerlijke sfeer, wat een sound, wat een waanzinnige drummer. Trager en donkerder dan voorheen, spannender ook. Ik hoor Last Shadow Puppets, Queens Of The Stone Age, The Coral, een fikse scheut sixties psychedelica en ondanks dat alles blijft de band volledig zichzelf.
Ja, er zijn nog bandjes die zich dwars tegen alle trends in blijven ontwikkelen en volwassen worden zónder belegen en saai te gaan klinken. Ja, Alex Turner mag na vier topalbums op rij worden gehuldigd als de meest relevante Britse songschrijver en muzikant van de 21ste eeuw. En ja, er is weer eens een release die mij naar het toetsenbord sleurt voor een blogpost. Hulde, dank en een nederige buiging.

Head Music draait door

Oeps. 2009 Is alweer over de helft en ik zie dat er alhier vanaf januari slechts één album is besproken. Niet dat er verder geen prachtplaten zijn verschenen, want 2009 dreigt wat dat betreft een topjaar te worden. Nee, ik had gewoon niet zo’n zin in het neerpennen van een recensie. Geen zin om in de trein tijdens het iPodden steeds te denken hoe één en ander te verwoorden. Geen zin om ‘s avonds na het werk alweer achter het beeldscherm te kruipen. Geen zin om nog iets toe te voegen aan de overdaad aan recencies die tegenwoordig via het WWW over ons wordt uitgestrooid. Bovendien geven Playlist en Twitterfeed ook al één en ander prijs, al geef ik toe dat je daarvoor wel een heel aandachtige lezer moet zijn.
Anyway. Nu Kasabian met ‘The West Ryder Pauper Lunatic Asylum’ een meesterwerk heeft afgeleverd waar ik eenvoudigweg even over móet schrijven, wil ik dan toch even van de gelegenheid gebruik maken om de schijfjes die mij in de afgelopen zes maanden het meest verblijdden nog even de revue te laten passeren.

Te beginnen met held Graham Coxon, die op ‘The Spinning Top’ niet meer rockt en punkt maar een masterclass fingerpicking presenteert. Verpakt in een aantal (soms heel) lekkere en immer sfeervolle songs voor akoestische gitaar. Denk aan Bert Jansch, Nick Drake, Davey Graham. Of voor de niet-folkfreaks: Paul McCartney’s ‘Blackbird’, Jimmy Page’s ‘Black Mountain Side’ en Roger Waters’ ‘Grantchester Meadows’. Van die dingen, met een vleugje Syd Barrett. I rest my case.

Maxïmo Park leverde naar mijn bescheiden mening met haar debuut ‘A Certain Trigger’ één van de beste albums van dit decennium af en zal daar voor altijd tegenop moeten boksen. Album nummer drie heet ‘Quicken The Heart’ en klinkt meer ingetogen dan haar voorgangers. Ondanks dat de gekte van weleer slechts sluimert kan de plaat me prima bekoren. Ze bevat minder spetterende uitschieters dan voorganger ‘Our Earthly Pleasures’ maar vormt in zijn totaliteit een fraaier geheel. Minder feest, meer songs. Maxïmo is volwassen geworden heet dat dan. Niet iedereen zal er blij mee zijn maar mijn zegen hebben ze.

Eerlijk gezegd was de nieuwe Morrissey me niet ter ore gekomen als ik afgelopen week niet ter elfder ure een kaartje voor zijn optreden in Keulen in de schoot kreeg geworpen. En gelukkig maar, want naast het uitstekende concert blijkt ook ‘Years Of Refusal’ een schot in de roos. In het verlengde van het ijzersterke comeback-album ‘You Are The Quarry’ en ‘Ringleader Of The Tormentors’ zij het deels gegoten in een rockjasje en muzikaal wat avontuurlijker. En wederom met een paar instant Mozza-klassiekers in de gelederen. ‘Years Of Refusal’ is momenteel koploper op mijn iPod en net als de happening van vorige week van jaarlijstkwaliteit.

Wat is er nog niet geschreven over The Pains Of Beïng Pure At Heart en haar titelloze debuut dat ik hier nog kan neerpennen? Sympathieke jongens en meisje met een aantal heerlijke noise-popliedjes in de beste shoegaze traditie. Niet héél erg bijzonder maar wél heel erg aangenaam en per draaibeurt smakelijker. Ook noisy maar veel minder dan voorheen: The Von Bondies op ‘Love, Hate And Then There’s You’. Minder garage, meer pop en daarom ook minder opvallend dan op de eerste twee albums. Maar omdat de nummers prima zijn en zanger/gitarist Jason Stollsteimer nu eenmaal barst van het talent nog altijd goed te pruimen. Net als ‘It’s Blitz!’ van Yeah Yeah Yeah’s. Karen O is nog steeds zo gek als een deur maar ook hier scheuren de gitaren een heel stuk minder dan gewend. O en haar mannen zijn namelijk op de dance tour en dat gaat ze heel goed af. Sterker nog, ik kan maar met moeite stil blijven zitten als ‘It’s Blitz!’ zijn rondjes draait. Iets dat bij vlagen ook geldt voor ‘Amor Vincit Omnia’ het tweede album van Pure Reason Revolution dat eveneens een behoorlijke switch van rock naar dance maakte, resulterend in een spannende progrock meets techno mix. Sterke nummers, vette sound en redelijk uniek in haar soort. En als we het toch over minder gitaargeweld hebben mag The Mars Volta niet onvermeld blijven. Ja, ook de heren Rodríguez-López en Bixler-Zavala nemen flink wat gas terug op hun vijfde studio-album ‘Octahedron’ Niet dat de gekte totaal verdwenen is. Menige wenkbrauw zal worden gefronst. Gelukkig maar. Echter, niets vermoedende visite die gillend je kamer uitrent is er niet meer bij. Het is even een paar draaibeurten wennen maar daarna blijkt ‘Octahedron’ van hetzelfde kaliber als haar voorgangers met het verschil dat je na de draaibeurt niet meer een half uur plat moet om op adem te komen.

En dan tenslotte Kasabian. ‘West Ryder Pauper Lunatic Asylum’ kan alvast de boeken in als de meest bizarre albumtitel van het jaar en het zal heel vreemd moeten lopen willen de heren ook qua inhoud niet hoog op mijn eindejaarslijst eindigen. Was Kasabian altijd een band die het vooral moest hebben van haar ijzersterke singles, op ‘West Ryder Pauper Lunatic Asylum’ bewijst ze eindelijk een volwassen albumband te zijn. Stevig geschoeid op de Beatle-, Kinks- en Stonesleest maar (mede dankzij hiphop-producer Dan “The Automator” Nakamura) nadrukkelijk geworteld in de 21ste eeuw. Om te chillen, om te springen, om te dansen. Enfin laat ik 3VOOR12 maar citeren: "Deze heren hebben na enkele jaren hun ideeën, pretenties en invloeden weten te bundelen, filteren en balanceren in 52 indrukwekkende minuten. […] Coherent, verhalend en met een rond geheel dat maar blijft boeien. Kasabian is niet meer de band die stoer doet, maar de band die stoer is."

Rest me nog af te sluiten met een eervolle vermelding voor het synthpopgezelschap Filthy Dukes dat met het prettige ‘Nonsense In The Dark’ de klok even terugdraait naar de jaren 80 en de mededeling dat ik alom bejubelde nieuwe albums van The Horrors en Mastodon helaas nog niet heb mogen beluisteren net als Metric, Gallows en Isis. Kortom: wordt vervolgd…

White Lies

Terwijl mijn rechterbuurman gisteren op de tribune bij het bekerduel tussen Roda JC en FC Lienden de gebruikelijke chants had ingeruild voor liedjes van Bruce Springsteen (ja, ome Jan brengt wat teweeg in het Limburgse) kwam links van me ineens White Lies ter sprake. De supporter naast me was net als ik aangenaam verrast door de kwaliteit van het album ‘To Lose My Life’ en we waren het er over eens dat sound en stijl schaamteloos bij elkaar zijn gejat, dat er werkelijk niet één vernieuwend of origineel moment is terug te horen maar dat het songmateriaal zo ijzersterk is en de uitvoering dermate overtuigend dat de band er uitstekend mee wegkomt. Een constatering die ik om me heen nu al veelvuldig heb gehoord en die ook in de meeste recensies terugkeert.

Beter goed gejat dan slecht verzonnen, moet het trio uit West-Londen in navolging van hun collega Joy Divisionisten Interpol en Editors hebben gedacht. Die twee hebben, nu ze alweer een poosje braaf het midden van de weg berijden, blijkbaar een zwart gat achtergelaten waar White Lies nu dankbaar inspringt met een aanstaand nummer 1 album vol songs die soms klinken als het allerbeste van Editors, dan weer als een onontdekt meesterwerk van Interpol. Ook waart de geest van Echo And The Bunnymen rond, moet ik op enig moment aan The Bravery denken en lijken The Killers nooit ver weg. Het grote verschil met genoemde bands is het gebrek aan de (podium)uitstraling van een Paul Banks of Tom Smith maar dat wordt dan weer deels gecompenseerd door het prachtige en geraffineerde artwork en bovendien doet het geen enkele afbreuk aan de luisterervaring.

Hoe de vlag er tegenwoordig live bijhangt (afgelopen zomer op Pukkelpop maakte de band een uitstekende indruk) checkt Head Music op 14 maart in Brussel en tot die tijd zal ‘To Lose My Life’ nog veel draaibeurten krijgen op stereo en iPod. Zoals NME al ruime tijd geleden voorspelde zou White Lies wel eens een van de heetste bands van 2009 kunnen worden en wat mij betreft is dat volkomen terecht.

Electric Arguments

Ondanks al mijn respect voor de Beatle Paul McCartney, heb ik altijd weinig gehad met zijn post-Lennon/McCartney werk. Hoe onterecht dat soms ook mag zijn, maar zijnde opgegroeid in de jaren ’70 en ’80 hebben tenenkrommende draken als ‘Hope Of Deliverance’, ‘Mull Of Kintyre’, ‘The Girl Is Mine’, ‘Ebony And Ivory’, ‘Say Say Say’, ‘No More Lonely Nights’ en last but zeker not least die vreselijke plaat met die irritante kutkikkers er dusdanig ingehakt dat ik zelfs zijn meest recente, alom bejubelde solowerk links heb laten liggen. Totdat ik werd geattendeerd op de onlangs verschenen derde cd van The Fireman, Macca’s electro/ambientexperiment met producer Martin "Youth" Glover, dat na tien jaar weer eens werd afgestoft. En hoe! In tegenstelling tot de instrumentale electronica van de twee voorgangers zingt en schreeuwt McCartney zich op ‘Electric Arguments’ de longen bijkans uit het lijf binnen een muzikale omlijsting van zompige blues en Keltische folk. Riep daar iemand Led Zeppelin? Maar er is meer: Akoestische ballades, stampende pop, Beateleske koortjes, zweverige psychedelica, toeters en bellen uit de Phil Spectorcollectie, spannende geluidscollages en uiteindelijk toch nog een housebeat als troost voor de old-skool Fireman-adepten. Eclectisch, fris, experimenteel, verrassend, spontaan en gewoon mooi… Paul McCartney levert in de relatieve anonimiteit van The Fireman en zonder druk van platenmaatschappij en buitenwacht op 66 jarige leeftijd terloops een meesterwerk af waar geen enkele muziekliefhebber die in 1983 werd geteisterd door de ‘Pipes Of Peace’ ooit van had durven dromen. Gelukkig was mijn jaarlijst nog niet klaar.

Inhaalslag

Als in Sölden het skiseizoen van start gaat is de winter nabij en krijg ik voorzichtig de neiging om terug te blikken op hetgeen het aflopende muziekjaar ons te bieden had. Scrollend door het Head Music-archief blijkt dat er in 2008 (tot dusver) opvallend weinig albums zijn besproken terwijl toch weer veel fraai plaatmateriaal het daglicht heeft gezien. Mijn voornemen om niet te recenseren om te recenseren maar enkel een cd eruit te lichten als ik er ook iets zinnigs over kan en wíl zeggen of er een verhaaltje omheen kan breien, heeft wat mij betreft prima uitgepakt. Ook al zijn een aantal sterke en opvallende releases niet aan de beurt gekomen.

Het puike debuut van The Rascals bijvoorbeeld. Wat valt daar meer over te zeggen dan dat diens kruising van The Coral en Arctic Monkeys perfect in mijn straatje past zodat ‘Rascalize’ tot op de dag van vandaag een favoriet is op de Head Music iPod? En hoeveel woorden kun je besteden aan een simpele doch aanstekelijke recht-voor-zijn-raap-release als ‘Get Awkward’ van Be Your Own Pet?
Dat Brett Anderson het enkel nog met een celliste doet en op zijn laatste album ‘Wilderness’ naast wat kwijlwerk ook een aantal onvolprezen juweeltjes presenteert is in drie regels vermeld, net als het alom gehypte en geprezen ‘Dear Science’ van TV On The Radio, dat mij best kan bekoren maar eigenlijk niet veel meer is dan een publieksvriendelijke versie van haar voorgangers en daardoor toch wat minder spannend klinkt.
De jongelui van Black Kids zijn te sympathiek om hier in een lijvig stuk uit te doeken te doen waarom ik een beetje kriegelig word van hun blije schoolbandjesgezang op ‘Partie Traumatic’ en met MGMT’s ‘Oracular Spectacular’ wist ik eerlijk gezegd niet direct wat aan te vangen. Inmiddels is ie uitgegroeid tot een kandidaat voor de Head Music eindejaarslijst.

En dan zijn er natuurlijk nog de heren Kaiser Chiefs en Kings Of Leon, die ik er toch even wil uitlichten. In positieve zin, omdat de eerste plaatkanten van hun beider albums behoren tot het beste dat ik dit jaar mocht beluisteren. In negatieve zin, omdat er in beide gevallen sprake is van een nachtkaarsplaat omdat die halverwege dermate kantelt dat het einde nauwelijks met open ogen is te halen.
Kaiser Chiefs keert op de eerste helft van ‘Off With Their Heads’ terug naar de tijden van hun fabuleuze debuut ‘Employment’ waar Kings Of Leon vanaf de aftrap van ‘Only By The Night’ bewijst tot de Champions League van de Amerikaanse gitaarrock te zijn doorgedrongen. Het supertrio ‘Closer’, ‘Crawl’ en ‘Sex On Fire’ lijkt een kickstart voor wat wel eens het album van het jaar zou kunnen worden maar na het heel aardige ‘Use Somebody’ kakt het zaakje zo heftig in dat het haast pijnlijk wordt. Weg is de pit, de spanning, de rock & roll en alles dat Kings Of Leon ooit zo bijzonder maakte. Slaapverwekkend geneuzel is alles dat resteert.
Ricky Wilson en co raken na een paar old-skool krakers en instant feestnummers de weg kwijt in een halfslachtige poging tot "iets anders". Het swingt niet, het knalt niet, het beklijft niet en dus is ook ‘Off With Their Heads’ slechts half geslaagd.

Hoe het ook kan bewijzen The Datsuns die, na een halfslachtige poging tot Led Zeppelin en wat akoestische uitstapjes, op ‘Headstunts’ weer gewoon doen waar ze goed in zijn; het maken van pittige, snoeiharde, bluesy-garagerock. Het tempo is opgeschroefd naar het niveau van haar medogenloze debuutalbum en ook qua vormgeving is het DIY als vanouds. De cd-versie is net als de vinylvariant opgedeeld in twee plaatzijdes die elk zes tracks bevatten: vijf compromisloze Datsunstampers gevolgd door een sfeervol en uitwaaierend chill-out moment. Erg sixties, doordrenkt met psychedelica en, met name in het geval van afsluiter ‘Somebody Better’, wonderschoon. Niet zo overdonderend als in 2002 en zonder instant klassiekers als ‘MF From Hell’ of ‘Harmonic Generator’ maar bij vlagen weer net zo energiek en bovendien op maat gesneden voor de aanstaande clubtour.
Eveneens in de high rotation; het naamloze debuut van Cage The Elephant uit Kentucky, USA. Een plaat vol indierock met een flinke scheut rhythm & blues die ten tijde van de release (afgelopen zomer) volledig aan me voorbij is gegaan. Een beetje Stooges, een beetje Dylan en zo nu en dan zelfs een tikkeltje funky. The Vines meets Beck, las ik ergens. Kortom: Toppertje.

Ziezo, we zijn weer up to date. Het kost even wat tijd maar dan heb je ook wat. Genoeg geluld, tijd voor muziek!

Dig Out Your Soul

"For some reason Blur have never managed to make the slightest impression on the Dutch. They didn’t like baggy, weren’t interested in Britpop […] and going there to promote the new record had been merely a polite formality. The articulated lorries full of super troupers, mega woofers and special effects would drive right through the Netherlands on a European tour. Most of the convoy would go straight to Denmark to wait at the stadium for us while we performed in the back room of a bar in Amsterdam."

Het waren bovenstaande woorden uit de autobiografie van Blur-bassist Alex James die me te binnen schoten bij de voorspelbare zure reacties op het nieuwe album van Oasis in ons kille kikkerlandje. Als we het Nederlandse journaille moeten geloven is de band enkel nog populair in haar thuisland en hebben de Gallaghers na hun tweede album geen noemenswaardig stukje muziek meer op plaat gezet. Oftewel; in het land der doven is 3FM koning. Reden voor Oasis om ons terecht te negeren tijdens haar grootste tour ooit. Gelukkig bevindt de Head Music HQ zich vlak bij de grens.

Anyway, terwijl onze DJ’s en OOR-recensenten het te druk hebben met het bewieroken van Bløf, Anouk en Kane en Engelse waar enkel omarmen als het verpakt is in aalgladde brokken à la Coldplay of er met koeieletters "hype" op staat geschreven, bevat het kakelverse ‘Dig Out Your Soul’ een stevige handvol puike songs en heeft Oasis op alle fronten de zaak keurig op de rails. Voorganger ‘Don’t Believe The Truth’ was al een verrassend sterk comeback-album waarop voorzichtig nieuwe wegen werden betreden en werd gevolgd door een overdonderende reeks optredens die de oude glorie in alle heftigheid deed herleven, het nieuwe album is zowaar nog een tikkeltje beter.
Oasis grijpt nóg minder terug op de succesformule uit haar gloriejaren en klinkt als een hechte band. Natuurlijk komen The Beatles nog geregeld voorbij maar bands als The Doors en The Pretty Things lijken net zozeer aanwezig en de groove is belangrijker dan ooit.
Sixties psychedelica, catchy riffs en een handvol prachtnummers die tot het beste van de band gerekend kunnen worden. ‘Bag It Up’, ‘Waiting For The Rapture’, ‘The Shock Of Lighting’, ‘I’m Outta Time’ en het betoverende ‘Falling Down’ bijvoorbeeld.
Het tweede gedeelte van het album zakt helaas iets in, hetgeen deels te danken is aan de compositorische bijdragen van bassist Andy Bell en gitarist Gem maar als dát het offer is dat Noel Gallagher moet brengen om de band op deze koers te houden zal het me allemaal worst wezen.
Oasis levert met ‘Dig Out Your Soul’ haar beste album af sinds ‘(What’s The Story) Morning Glory?’. Niet baanbrekend, vernieuwend of urgent maar een gepassioneerd stukje vakmanschap. En, zo weten we allemaal sedert de Grolsch-commercials, vakmanschap is meesterschap!

Loudnessica

Verschijnt er eindelijk weer eens een album van Metallica dat voor het eerst sinds 1988 weer het predicaat Metal verdient, is het nóg niet goed. Volgens de audiofielen onder de headbangers is er namelijk iets misgegaan achter de mengtafel. Iets met loudness of zo. Welnu, dat komt dan goed uit want ‘And Justice For All’ was twintig jaar geleden ook een productionele ramp en ‘Death Magnetic’ wordt in Metallica-kringen niet zelden als de opvolger van deze schijf gezien. Maar goed, de überklagers kunnen hun ongenoegen uiten middels een heuse petitie. Head Music laat ‘Death Magnetic’ echter na één draaibeurt op de Luisterpaal voor wat ie is en houdt het gewoon bij ‘Kill Em All’, ‘Ride The Lightning’ en ‘Master Of Puppets’, want hoe goed Metallica’s bedoelingen ook zijn en hoezeer ‘Death Magnetic’ een forse stap in de goede richting is, hij legt het toch op alle fronten af tegen genoemd supertrio en daar kan geen producer of geluidstechnicus ook maar iets aan veranderen.

Forth

Om maar meteen met de deur in huis te vallen; de jams zijn lang niet zo spaced out als op het debuutalbum ‘A Storm In Heaven’, de groove swingt nergens zo vet als op de klassieker ‘Northern Soul’ en de kwaliteit van de songs kan het torenhoge niveau van succesalbum ‘Urban Hymns’ nergens evenaren.
Tot zover het minder goede nieuws, want het tweede comeback-album van The Verve is er desondanks één om in te lijsten. Op ‘Forth‘ probeert het viertal uit Wigan de fans van alle drie genoemde albums tevreden te stellen en blijft daarbij vaker in het midden rondzweven dan dat ze alle kanten opschiet. Dat klinkt vervelender dan het is, want met topzanger Richard Ashcroft en meestergitarist Nick McCabe in de gelederen verworden zelfs de meest middelmatige popdeuntjes tot een intrigerende luisterervaring.
Ondanks dat het tempo vooral laag wordt gehouden blijft het meestentijds meeslepend en spannend. Ashcrofts melodieuze zanglijnen klinken daarbij net zo melancholisch als snerend terwijl de zwevende, vlechtende, scheurende, bezwerende en betoverende McCabe zijn complete trukendoos opentrekt, daarmee het album grotendeels tot het zijne makend. De ritmesectie houdt de boel net als destijds swingend en relaxt keurig op de rails.
De meeste nummers klokken zo rond de 6 tot 7 minuten maar een kraker als ‘Noise Epic’ had wat mij betreft moeiteloos twee keer zo lang mogen duren, want als een jammende The Verve namelijk eenmaal op dreef is en je gegrepen wordt door de flow verdwijnt elke notie van tijd. Openingsnummer ‘Sit And Wonder’ behoort tot het beste dat de band ooit voortbracht en de hitsingle ‘Love Is Noise’ klinkt per draaibeurt aanstekelijker al valt het dankzij die ooh ooh ah ah loop toch een beetje uit de toon. Vervolgens ligt tijdens de eerste minuten van ‘Rather Be’ en ‘Judas’ de gaap heel even op de loer maar puike songs als ‘I See Houses’, ‘Valium Skies’ en ‘Appalachian Springs’ maken vervolgens weer héél veel, zo niet alles, goed.
‘Forth’ is niet de klassieker waarop sommigen hadden gehoopt. Omdat hij niet verrast en geen eenduidige koers vaart. Maar het album sluit wél naadloos aan op het oude werk, is in staat zowel de fans van het eerste uur als ook het ‘Bitter Sweet Symphony’ publiek te behagen, toont een hechte en gedreven band, klinkt monumentaal en is als strijdtoneel voor de ego’s van de song-georienteerde Ashcroft en space freak Mc Cabe ook nog eens verdraaid interessant. Al is het te hopen dat de strijd tussen beide heren zich deze keer beperkt tot de muzikale arena en niet zoals in 1998 eindigt met een gebroken hand voor McCabe en een pijnlijke kaak voor Ashcroft.
Rest de vraag of ‘Forth’ de wederopstanding van The Verve rechtvaardigt. Bart Steenhaut zegt daarover in De Morgen wat ik ook had willen neerpennen: "Heeft Forth genoeg troeven in huis om de terugkeer van The Verve te verantwoorden? Dat alleszins. Van alle reünies is die van The Verve wellicht de meest relevante. Omdat ze niet teert op oude hits, maar laat zien dat de vier groepsleden met hun vieren beter zijn dan de som der delen. Een comeback in grandeur, quoi. Zoals dat past bij een groep als deze." Woord!

Intimacy

En toen was er ineens uit het niets een nieuw album van Bloc Party, de band waarvan ik na een weinig inspirerend middle of the road album en een minstens zo slap optreden in een Keulse galmbak definitief afscheid leek te hebben genomen tijdens Pukkelpop.
‘Intimacy’ werd twee dagen na de voltooiing van de opnames tegen betaling ter download aangeboden en zal over twee maanden pas in tastbare vorm verkrijgbaar zijn. Omdat ik weiger om twee keer te betalen voor hetzelfde product (een trendy vorm van geldklopperij die tegenwoordig ook wel een Radioheadje wordt genoemd) heb ik ‘Intimacy’ elders gratis van het web geplukt en gezien de kwaliteit van het gebodene weet ik nu al dat de officiële aanschaf in oktober zijn geld dubbel en dwars waard zal zijn.
Al vanaf de eerste tonen van openingstrack ‘Ares’ knallen Kele Okereke en zijn mannen uit de speakers alsof er nooit een ‘Weekend In The City’ heeft bestaan. Met een flinke dosis hiphop (denk aan MIA), een stevige beat (hallo Chemical Brothers) en een heerlijk scheurende gitaar ben ik meteen weer bij de les. De puike dancesingle ‘Mercury’ kende we natuurlijk al en slaat een passende brug naar het uptempo ‘Halo’, dat soms doet denken aan Queens Of The Stone Age maar tevens herinneringen oproept aan de onstuimige begindagen van de band. ‘Trojan Horse’ en ‘One Month Off’ hadden zo op het magistrale (en aangenaam onrustige) debuut kunnen staan, ware het niet dat de toegevoegde electronica het zaakje een tikkeltje eigentijdser doet klinken.
Dat de skip-toets dan al twee keer is ingezet omdat ik het doelloos voortkabbelende electronische geneuzel van ‘Biko’ en ‘Signs’ na één luisterbeurt wel gehoord had, kan de pret al niet meer drukken. Ook de eerste tonen van ‘Zepherus’ en ‘Better Than Heaven’ doen wat dat betreft het ergste vermoeden maar het eerste nummer weet naar het einde toe een bijzonder sfeertje op te roepen terwijl de tweede ontaardt in een portie duizelingwekkend pittige indierock zoals we dat ooit gewend waren. Toch weten beiden niet te verhullen dat de sterkste nummers zich op het eerste deel van ‘Intimacy bevinden’.
Afsluiter ‘Ion Square’ is een recht-toe-recht-aan popsong in een gedreven tempo met een hoog dansgehalte en een sublieme opbouw, dat het vooral live goed zal doen. Liefst in de kleine donkere en zweterige zaaltjes van het clubcircuit maar de kans daarop is nagenoeg nihil. Helaas.
En zo levert Bloc Party tegen al mijn verwachtingen in een album af waarop de grenzen weer worden afgetast en verlegd en dat qua intensiviteit soms doet terugdenken aan de mooie tijden van weleer. Tuurlijk, het is bij lange na geen nieuwe ‘Silent Alarm’ maar de band heeft er wél voor gezorgd dat ik tegenwoordig, als er een stukje Bloc Party door de kamer moet schallen, de keuze heb uit een EP en twée albums. Thanx mates!

Strength In Numbers

En toen was er eindelijk een nieuw album van The Music. De band die in 2002 de ideale mix tussen Led Zeppelin en dance middels een aantal singles én een meesterlijk album de wereld in slingerde, lang voordat er ook maar één iemand van de term New Rave had gehoord. Na een heel behoorlijke opvolger, twee jaar daarna, verdween de band van het toneel mede als gevolg van de door drank en drugs aangewakkerde geestelijke crisis van zanger Robert Harvey. Maar Harvey kwam terug, clean en vol goede moed en de derde langspeler van The Music is een feit. ‘Strength In Numbers’ zit stilistisch ergens tussen de beide voorgangers in. De technobeats neigen naar het debuut maar de volle soms wat gladgestreken sound doet denken aan diens opvolger ‘Welcome To The North’, met dit verschil dat Harvey tekstueel wat meer te zeggen heeft én beduidend meer variatie in zijn zangpartijen stopt, hetgeen én de afwisseling maar ook de toegankelijkheid ten goede komt. Productioneel klinkt het hier en daar wat gelikter als voorheen, zonder de bekende Music-sound helemaal los te laten. Het stevig voortbeukende ‘Fire’ en het al net zo aanstekelijk stampende titelnummer hadden ook zes jaar geleden op de setlist gekund en liefhebbers van album nummer twee zullen zich in de handen wrijven met meer uitwaaierende en pompeuzer aangezette nummers als ‘Get Through It’ en ‘The Spike’. Daarnaast neemt de nieuwe Music wat vaker gas terug en druppelt er meer onversneden disco in haar songs door. NME omschreef de band onlangs als "The Verve playing Klaxons songs" en daar kan ik me best in vinden. Maar dan wel met de (klein)zoon van Robert Plant op zang. Op ongeveer driekwart van het album zakt ‘Strength In Numbers’ wat in maar omdat de grootste prijsnummers (‘Strength In Numbers’, ‘The Spike’, ‘Drugs’, ‘Fire’ en ‘The Left Side’ – waarin geen onduidelijkheid bestaat over de invloed van de grote inspirator Stone Roses) dan nog nagalmen en met ‘No Weapon Sharper Than Will’ de voetjes weer danig op de proef worden gesteld, nemen we dat voor deze keer op de koop toe. Het belangrijkste is immers dat The Music weer terug is. Met een heel behoorlijk album, waarop een handvol puike nummers die tot het allerbeste van de band gerekend kunnen worden en zowel live als op de dansvloer voor uitbundige taferelen kunnen zorgen. Wie had dat gedacht? Ik eerlijk gezegd niet.