Hoera hoera hoera

Hitte en droogte trotserend slentert de halve bevolking momenteel in oranje gehuld over de plaatselijke rommelmarkt vanwege de viering van… Ja wat vieren we eigenlijk? Bea verjaart toch echt op 31 januari, Wim-Lex op 27 april en publieksfavoriet Maxima zag ooit op 17 mei het daglicht. Gelukkig herbergt onze Koninklijke familie sinds het verscheiden van de oude Juul op 30 april nog altijd een heuse jarige die, ter voorkoming van alweder een plaatje van Queen, net als in de good old days zelf nog eens achter het klavier heeft plaatsgenomen om de feestvreugde te verhogen. Kom er maar in Mr. P.

Warmer Than Hell

"The Devil went to Devon, it felt like the fourth degree. He said, ‘is it hot in here or is it only me?’" Vergeet The Police, vergeet Smashing Pumpkins, fuck de Dolly Dots. Er is namelijk maar één reunie die er daadwerkelijk toe doet. En omdat ie zo leuk is, hier en hier een hilarisch stukje Tap uit de oude doos. Ik ben trouwens benieuwd of er nog drummers zijn die zich beschikbaar durven stellen.

Spoorboekje

Ome Jan heeft het tijdschema voor de komende editie van Pinkpop gepresenteerd en ondanks het voor Pinkpopbegrippen grote aantal interessante acts blijf ik voor het eerst sinds lange tijd verstoken van hinderlijke overlappingen. Bovendien kan ik als ouwe lul op zaterdag en zondag lekker uitslapen en maandag op tijd naar huis. Ideaal! Alleen heel erg jammer dat Goose op die enorme Main Stage staat. Het volledige schema vind je hier, het Headmusic spoorboekje volgt hieronder. Maar eerst nog bijzonder goed festivalnieuws uit België.

Zaterdag: 15.00 Goose (Main), 16.15 The Noisettes (3FM), 17.00 Juliette & The Licks (Main), 21.00 Marilyn Manson (Main).
Zondag: 15.00 Razorlight (Main), 17.00 Iggy & The Stooges (Main), 18.00 Maxïmo Park (John Peel), 20.15 Amy Winehouse (John Peel), 21.15 Muse (Main).
Maandag: 11.00 The Fratellis (Main), 11.45 Five O’Clock Heroes (John Peel), 12.30 Wolfmother (Main), 13.30 The Magic Numbers (John Peel), 16.30 Arctic Monkeys (Main), 19.45 The Kooks (John Peel).

The Wild Ones

Het optreden is zo’n drie kwartier oud als een verkouden Brett Anderson een deel van de vocalen van het gevoelige ‘The Wild Ones’ aan het publiek wil overlaten. Onder het motto ‘hard maar vals’ doen Bojoura en ondergetekende ons uiterste best terwijl de rest van de aanwezigen opvallend stil is. Mijnheer Anderson is danig van zijn apropos, schiet in de lach, onderbreekt zijn getokkel en schudt zijn hoofd. Na afloop van het concert worden we door hem persoonlijk bedankt voor “fucking up the song.” Maar… “at least you dí­d sing.” Gelukkig volgt tegen middernacht een herkansing, samen met Suede-bassist Mat Osman, toetsenist Fred Ball en gitarist Jim Dare in de aangenaam warme botanische tuin van Brussel. Nu gaat het ons gelukkig beter af. Onder het genot van een biertje en een glaasje rode wijn (totdat Bojoura een complete fles over Ball’s fonkelnieuwe hagelwitte sneakers schopt) wordt er op ontspannen wijze gesproken over voetbal (ik ben voor Charlton Athletic en dus een “wanker” maar da’s altijd beter dan Ipswich-fan en dus “tractor boy” Anderson), Brussel, Suede en het leven on the road. Osman demonstreert zijn zeer adequate Neil Codling imitatie en we worden op de gastenlijst geplaatst voor hun show in Berlijn twee dagen later. Waarom kunnen alle concerten niet zo eindigen als deze? Als we later onder een heldere sterrenhemel huiswaarts rijden, galmt ‘The Wild Ones’ door de auto. Het klinkt anders dan al die jaren daarvoor. Het zal na gisteravond ook nooit meer hetzelfde klinken.

Oh ja, er werd ook nog opgetreden in Brussel. Een kwartier korter dan in Keulen met een wegens verkoudheid niet optimale maar wel goed geluimde Anderson (die, zo hoorden we later, nog had overwogen om de show af te blazen), een met materiaalpech kampende Dare en een beduidend minder uitbundig en veel ouder publiek dan twee dagen daarvoor. Maar hey, who cares?!

Meer over la nuit botanique lees je ongetwijfeld bij de dames Bojoura en Blogparty. Als ze weer terug op aarde zijn zijn…

Brett Anderson (Prime Club, Keulen 22-4-2007)

Daar staat ie dan, voormalig glam- en indie-idool. Op het krakkemikkige huiskamerpodium van de intieme Prime Club die niet eens is uitverkocht. Brett Anderson. Beter geluimd dan ik de afgelopen tien jaar heb mogen meemaken, met een grijns op zijn gezicht het publiek in starend. Dat publiek is dan al op adequate wijze opgewarmd door het Juliette & The Licks-achtige Hey Gravity!, waarmee we eindelijk weer eens een interessant voorprogramma hebben mogen begroeten. Omdat bassist Mat Osman van de partij is staat dus gewoon de helft van de oorspronkelijke Suede-bezetting op de planken. Tot grote vreugde van de vele in verwassen retro Suede-shirts gehulde oudere jongeren die voor één keer de bakvisjes van de voorste rijen hebben verdrongen. Anderson’s recente solo-album komt vrijwel integraal voorbij, zij het niet in de gepubliceerde easy-listening variant maar gedrenkt in de stevige doch sfeervolle gitaarsound van weleer. En ineens blijkt een deel van de nieuwe songs zich in deze vorm moeiteloos te kunnen meten met menig nummer uit de Suede-catalogus. Zozeer zelfs dat de natuurgetrouwe uitvoering van ‘By The Sea’ er niet eens bovenuit springt. Sterker nog; het zijn de nieuwkomers ‘Colour Of The Night’ en het bloedstollend mooie ‘For My Father’ die tijdens de reguliere set voor de het meeste kippenvel zorgen en bewijzen dat Brett Anderson in topvorm verkeert. Zelden zong hij zo goed, zelden toonde hij zoveel spelvreugde, zelden zocht hij zoveel contact met het publiek. Zonder maniertjes, zonder grote gebaren, 100% naturel. Na de toegift volgen de hoogtepunten zich in rap tempo op. Sublieme akoestische uitvoeringen van ‘Ebony’ en de Suede-klassieker ‘Wild Ones’ én een adembenemende versie van het bijna antieke ‘The Big Time’ tonen Anderson op zijn breekbaarst. Zichzelf op gitaar begeleidend op de verder verlaten mini-bühne geniet hij zichtbaar van de publieksreacties. Nadat de rest van de band zich weer bij hem heeft gevoegd, wordt met ‘She’ de daadwerkelijke finale ingeluid en als enkele minuten later de eerste tonen van ‘Trash’ uit de PA schallen lijkt het alsof de zaal explodeert. Alsof iedereen na 52 Suedeloze maanden smacht naar de feestelijkheden van weleer, ontstaat er één grote springende en hossende menigte voor de voeten van een uitzinnige Anderson die straalt als zelden tevoren. En dan te bedenken dat zowel zaal als artiest tijdens het afsluitende ‘Beautiful Ones’ zowaar nog een tandje bijschakelen voor de definitieve knock out. Als de rust een half uur later is wedergekeerd en nog een handvol fans vermoeid maar voldaan rond de bar hangt, duikt Anderson ineens op voor een meet and greet. Vriendelijk en geestig neemt hij de tijd voor eenieder die daar behoefte aan heeft en al grappend met zijn bandleden lijkt hij in weinig meer op het afstandelijke idool van weleer. Hij oogt relaxter en straalt warmte uit. Brett Anderson als mens; ouder en wijzer. Het staat hem goed, het klinkt nog beter. Concert van het jaar!

Meer pret met Brett bij Blog Party.

Kwartet (8)

The Sex Pistols worden nog steeds gezien als hét icoon van de Britse punk en The Clash geldt tegenwoordig als de meest invloedrijke van haar generatie. Maar het was toch echt The Damned dat halverwege de seventies de toon zette aan de andere kant van de Noordzee. Net als Generation-X en The Clash ontstaan uit het het beruchte London SS, zorgde The Damned voor de eerste punksingle en kwam het als eerste met een album. Ook was The Damned de eerste van de Britse punklichting die door de Verenigde Staten tourde, gaf de band er als eerste van haar soortgenoten de brui aan maar waagde zij zich tevens als eerste aan een reünie. Als er één band de start van de Britse punkgolf markeerde was het dus The Damned wel. De single ‘New Rose’ fungeerde wat dat betreft als een soort oerknal en behoort tot het selecte groepje punk-evergreens dat de tand des tijds met verve heeft doorstaan. Het album ‘Damned Damned Damned’ herbergde met  punkhit ‘Neat Neat Neat’ nog een tweede klassieker en verscheen onlangs in een opgepoetste "30th Anniversary Expanded Edition". Creatief brein achter de band was gitarist Brian James maar het was de excentriek uitgedoste zanger Dave Vanian die de band haar gezicht gaf en zich als Gothic-pionier ontpopte. Het grootste commerciële succes kwam echter op het conto van bassist Captain Sensible, die in 1982 in eigen land een nummer 1 hit scoorde met de onwaarschijnlijk luchtige single ‘Happy Talk’ en ook in de rest van Europa succes oogstte met het hiphoppige ‘Wot‘. The Damned koos nooit voor de makkelijkste weg en waagde het zelfs om haar tweede album te laten produceren door Pink Floyd’s Nick Mason, iets dat in punkkringen gelijk stond aan muzikale zelfmoord. Met alle gevolgen van dien. Later zou de band nog vele malen bij elkaar komen, echter zonder James en dus zonder enig opzienbarend resultaat maar met twee klassieke singles die behoren tot het beste dat het genre voortbracht hoeft dit kwartet zich geenszins te schamen. Zie hier het bewijs.

Favourite Worst Nightmare

Kom daar nog maar eens om in dit digitale tijdperk; vijfentwintig kilometer fietsen om het nieuwe Arctic Monkeys album op de kop te tikken. Vanochtend besloot ik de route van mijn zaterdagse trainingstochtje te verleggen richting platenboer omdat ik niet kon wachten om de op voorhand al meestbesproken release van 2007 in mijn cd-lade te schuiven. En om maar met de deur in huis te vallen; ja, het heeft zich geloond. Met het zweet nog op het voorhoofd (het is heuvelachtig in deze streek) knalde de inmiddels vertrouwde single ‘Brianstorm’ uit de speakers, gevolgd door het minstens zo sterke en even pittige ‘Teddy Picker’. ‘D Is For Dangerous’ en ‘Balaclava’ denderen voort op de ingezette stevige weg die in het verlengde ligt van de legendarische debuutschijf, zij het dat de sound ietwat gelikter is en Alex Turner’s vocalen een stuk volwassener klinken. Het buitengewoon sterke ‘Fluorent Adolescent’ gaat er vervolgens nog eens dik overheen en het vermoeden dat Arctic Monkeys het onmogelijke wel eens zouden kunnen gaan waarmaken (een album serveren dat minstens zo goed is als het nu al klassieke debuut) lijkt dan al voorzichtig te worden bevestigd. Maar ineens gaat de voet van het gaspedaal en komt er een ingetogen niemendalletje genaamd ‘Only Ones Who Know’ voorbij, dat de overgang van de oude naar de nieuwe Monkeys lijkt te markeren. In ‘Do Me A Favour’ en ‘This House Is A Circus’ horen we de Arctics van een jaar geleden weliswaar nog terug maar de pit en de gekte die de band tot dusver kenmerkte is verdwenen. Het is luchtiger. Dansbaarder ook. Volwassener maar ook minder spectaculair en in mijn oren daarom net iets oninteressanter. Hetgeen niet wegneemt dat de composities nog steeds van hoog niveau zijn maar het lijkt niet meer alsof ze terloops, bijna per ongeluk, uit de mouw zijn geschud. Op ‘If You Were There, Beware’ doet de band zelfs zo zeer haar best haar veelzijdigheid te etaleren dat er uiteindelijk vlees noch vis resteert. Hoewel het lekker luchtige ‘The Bad Thing’ en vooral het prima springerige ‘Old Yellow Bricks’ de luisteraar weer bij de les krijgt, lijkt de drive er een klein beetje uit. Zeker als het afsluitende ‘505’ nergens toe leidt, zelfs een beetje aan de saaie kant is en dus voor een onbevredigend einde zorgt. Maar genoeg gezeverd. Een album dat voor de eerste helft met speels gemak een 9 en voor het tweede deel een 7 scoort, verdient uiteindelijk gewoon een 8. En om de vergelijking van een jaar geleden door te trekken; als ‘Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not’ het beste debuut sinds Oasis’ ‘Definitely Maybe’ was, heeft Arctic Monkeys nu met ‘My Favourite Worst Nightmare’ haar ‘(What’s The Story) Morning Glory?’ afgeleverd. En dat is hoe dan ook prestatie van formaat. Petje af voor de poolaapjes.

Ouwe koeien

Vanavond begeef ik mijn het feestgedruis tijdens een verjaardagsparty van twee collega’s uit mijn tijd bij Stichting Popmuziek Limburg. Beide heren worden één dezer dagen veertig. Dat is een prima reden voor een feestje maar het duwt me tevens met de neus op de feiten: veertig… En dan komen met de frontverslagen van weleer ook de prachtige muzikale herinneringen boven, uit de periode dat we gezamenlijk vele bands voorbij zagen komen, menig festival in de steigers zetten en nog hoop hadden dat het ooit wat zou worden met de popmuziek in onze provincie. IJdele hoop? We maakten in ieder geval de vreugdevolle doorbraak van de Heideroosjes mee, in de dagen voor ons 12,5 jarig jubileumfestival, dat mede door het viertal uit Horst en niet in de laatste plaats door Rowwen Hèze, tot een memorabele happening uitgroeide. Maar er was zoveel meer: de Nachten Van Pinkpop, de immer spraakmakende Nu Of Nooit competities en uitstekende bands als Wicked Wonderland, Soylent Green, Transpunk en de onnavolgbare Sufgerukte Wallies. Ik ben benieuwd of één van hen vanavond nog gedraaid zal worden. En zo niet, hier alvast een klein voorproefje van de ooit veelbelovende Sons Of The Rain. Uit 1995 alweer. Da’s twaalf jaar geleden. Damn…

Radio blah blah

Zijn tenenkrommende lach-of-ik-schiet-show alsmede de aanwezigheid bij deze platvloerse onzin is natuurlijk te beschamend voor woorden maar het nieuws dat de DJ Rob Stenders terug is op het publieke nest klinkt me als muziek in de oren. Maar er is nóg beter nieuws: Claudia de Breij stopt ermee! Dat maakt de middag voor mij op de door ‘Serious Radio‘ geteisterde werkvloer in ieder geval een stukje aangenamer.